Volgens Microsoft zou de toekomst van datacenters wel eens op de bodem van de zee kunnen liggen. Het testdatacenter op 35 meter diepte bij de Schotse Orkney-eilanden blijkt achtmaal minder storingsgevoelig dan die op het land.

Het softwarebedrijf bericht dat het zijn testdatacenter op de zeebodem bij de Orkney’s deze zomer naar boven heeft gehaald. Twee jaar lang lag deze proefopstelling van het ‘Project Natick’ op 35 meter diepte voor de kust van de Schotse eilandengroep: een cilindervormige capsule met daarin 864 servers en 27,6 petabytes aan data die continu werden gemonitord. Volgens het bedrijf heeft deze test bewezen dat datacenters onder water “logistiek, ecologisch en economisch” praktisch en haalbaar zijn.

Menselijke onhandigheid
Het uitgangspunt van de onderzoekers was dat een verzegelde container op de zeebodem de betrouwbaarheid van datacentra zou verbeteren. Op het land zijn corrosie door zuurstof en vochtigheid, temperatuurschommelingen en vooral onhandige acties van mensen die kapotte onderdelen vervangen, allemaal factoren die bijdragen aan een hogere storingsgevoeligheid. De onderzeese container werd gevuld met stikstof, dat minder corrosiegevoelig is dan zuurstof. Ook de veel constantere temperatuur van het zeewater bleek goed te zijn voor de stabiliteit van de servers en een efficiënter energieverbruik.

Minder uitval
Projectleider Ben Cutler: "Ons uitvalpercentage in het water is een achtste van wat we op het land zien. Dat moet trouwens ook wel, want áls er iets kapot gaat, kom je er op de bodem van de zee er natuurlijk veel lastiger bij. Maar toch: alles meegerekend mogen we intussen concluderen dat het 'serververlies per tijdseenheid' op zijn minst gelijk is met plaatsing op het land. Alle reden om verder te gaan met onze testen.”

De volgende stap voor Microsofts Project Natick-team: aantonen dat de onderzeese servers gemakkelijk kunnen worden verwijderd en gerecycled zodra ze het einde van hun levensduur hebben bereikt.