Photoshop

wo 01 februari 2012 - 16:59

Auteur: HCC-Redactie

Photoshop is het paradepaardje van Adobe, en niet voor niets. Het beeldbewerkingsprogramma is enorm populair. Het programma is gebruiksvriendelijk en de mogelijkheden zijn ongekend, maar werken met Photoshop is vooral een leuke creatieve bezigheid. In deze cursus wordt gewerkt met versie CS2, waarin onder meer mogelijkheden zijn voor vectorafbeeldingen, integratie met andere Adobe-producten en het gebruik van layers. Eerst wordt uitgebreid aandacht besteed aan de interface en een aantal belangrijke gereedschappen. Daarna bestudeer je diverse bewerkingen, van retoucheren tot het toepassen van maskers, filters en imagemaps.

Photoshop CS2 ondersteunt vectorafbeeldingen, integratie met andere Adobe-producten, en het gebruik van layers (lagen). Ook herbergt het programma tal van bewerkingsmogelijkheden, zoals bijvoorbeeld het laten uitvloeien van een afbeelding.
Omdat het een beginnerscursus betreft, kunnen mensen die met één van de eerdere versies van Photoshop werken de cursus ook prima volgen. Het is natuurlijk altijd mogelijk om op de site van Adobe een tryout-versie te downloaden. Deze tryout-versie is Engelstalig en 30 dagen geldig.

Doelgroep & Inhoud cursus
Deze cursus Photoshop is bedoeld voor beginners. Dat wil zeggen, mensen die nog nooit iets met Photoshop hebben gedaan. In deze cursus zullen de Engelse termen gehanteerd worden met de Nederlandse termen tussen haakjes. Hiervoor is gekozen omdat de tryout-versie van Adobe Photoshop CS2 Engelstalig is.

De cursus is opgedeeld in een aantal delen. De eerste delen behandelen de interface van Photoshop en het gebruik van een aantal belangrijke tools (gereedschappen). De cursus bestaat voornamelijk uit uitleg, tips en aanwijzingen. Na het volgen van het eerste deel van deze cursus zul je in staat zijn om eenvoudige bewerkingen uit te voeren zoals cropping (uitsnijden), resizing (afbeeldingsgrootte wijzigen). Verder maak je kennis met de selection tools (selectie gereedschappen), filters, text tools (tekst gereedschappen) en layers (lagen).

Interface
Om met Photoshop te kunnen werken is het belangrijk dat je vertrouwd raakt met de interface van het programma. Als Photoshop geopend wordt, zie je boven in het scherm de menubalk. Onderin de geopende afbeelding is de statusbalk te vinden. Je zult zien dat de inhoud van de statusbalk verandert, afhankelijk van waar je mee bezig bent.
Links zie je een lang, smal venster, de toolbox (gereedschapspalet). Vooral met deze toolbox zul je veel gaan werken. Verder zie je meerdere palets (paletten). Elk van deze palets bevat een groot aantal functies maar die komen pas later in de cursus aan bod. Daarom verberg je nu tijdelijk alle vensters door op de TAB toets te drukken. Je zult zien dat nu alles verdwijnt, ook de toolbox. In eerste instantie gaan we alleen met de toolbox werken. Hiervoor moet je alleen deze openen. Dit doe je door in de menubalk op Window te klikken, en vervolgens op Tools.

Hieronder zie je een schermafdruk van de Photoshop CS2-interface.



Titelbalk
In de titelbalk van de afbeelding staat de naam van de afbeelding.

Menubalk
Via de menubalk bovenin het scherm kun je vele bewerkingsopties activeren, zoals bestanden bewerken, opslaan en hulp vragen.

Toolbox
In de toolbox (gereedschapspalet) links vind je de gereedschappen voor het maken en bewerken van afbeeldingen.

Statusbalk
Op de statusbalk onderin de afbeelding kun je informatie over de grootte van het afbeeldingbestand vinden en een korte beschrijving van de acties die op dat moment geactiveerd zijn.

Paletten
De paletten rechts bevatten een groot aantal extra opties om afbeeldingen te bewerken. De paletten komen in een volgend deel van de cursus uitgebreid aan bod.



Belangrijke Tools (gereedschappen)
Onderstaande foto kun je opslaan op je computer door er met de rechtermuisknop op te klikken en vervolgens te kiezen voor Figuur opslaan als. De naam van het bestand is clownvis.jpg. De naam laat je ongewijzigd.
Je kunt het beste een nieuwe map maken met de naam Oefeningen (bijvoorbeeld C:/Mijn documenten/Photoshop/Oefeningen).
De afbeelding sla je nu op in de nieuw aangemaakte map door op Opslaan te klikken. Als je de foto hebt opgeslagen kun je deze opvragen in Photoshop. Het opvragen van een foto of afbeelding in Photoshop gaat als volgt.



1. Klik op File, vervolgens op Open.
2. Selecteer het bestandje dat je wilt openen. In dit geval dus clownvis.jpg in de map 'Oefeningen'.
3. De foto wordt geopend. Je ziet drie anemoonvisjes, ook wel clownvisjes in het Engels genoemd. Stel dat je de foto iets te groot vindt, twee anemoonvisjes vind je voldoende. Met de Crop Tool (uitsnijdgereedschap) kun je een deel van de foto wegsnijden.

Crop Tool
Hieronder staat een klein stukje van de toolbox (gereedschapspalet) afgebeeld. Om de Crop Tool te selecteren klik je met de muis op het Crop Tool-symbool.

Om te leren werken met de Crop Tool gaan we de afbeelding van de anemoonvisjes bewerken. Je ziet op de foto drie visjes, maar je wilt uiteindelijk maar twee visjes overhouden. Eén visje moet dus weggesneden worden. Met de Crop Tool kun je de selectie weergeven die je over wilt houden, de rest wordt weggesneden. Door het klikken op de Crop Tool in de toolbox kun je door te slepen met je muis een selectie maken die je over wilt houden. Alles buiten de selectie wordt weggesneden. Hieronder is de selectie te zien. Alles binnen het gestippelde lijntje blijf over.



Als je vervolgens in de menubalk op Image (Afbeelding) drukt en daarna op crop (uitsnijden) krijg je het volgende resultaat.



Op deze manier houd je alleen het gedeelte van de afbeelding over waar de twee anemoonvisjes op staan. De rest is weggesneden.

Resizing (grootte veranderen)
Als je over de compositie tevreden bent, maar over de grootte van het plaatje nog niet helemaal, dan kun je deze aanpassen. Zoals je wellicht weet kan een afbeelding in verschillende formaten opgeslagen worden, en kan er voor verschillende kleurenmodi gekozen worden. Hier hoef je nu nog even niets van te weten, dit komt in de vervolgdelen van de cursus nog uitvoerig aan bod. Belangrijk is dat er nu gekozen is voor JPG/JPEG, dit is in eerste instantie het meest geschikte formaat voor foto's op Internet. Later, als er gewerkt gaat worden met layers (lagen) en transparantie, moet je gaan werken met het GIF-formaat, maar daarover later meer.
Zoals net vermeld, kan er gekozen worden voor verschillende kleurenmodi. De meest geschikte en gebruikte modus is RGB, deze is ook het meest flexibel bij het veranderen van de grootte van een afbeelding. RGB staat voor de kleuren rood, groen en blauw. Dat zijn de kleuren die een kleurenbeeldscherm weergeeft.
Het voordeel van het JPG/JPEG formaat is dat deze automatisch de RGB modus heeft. Controleer maar door in de menubalk op Image (afbeelding) te klikken, en vervolgens op Mode (modus). Je zult zien dat er een vinkje voor RGB staat, zie ook het plaatje hieronder.



In dit geval gebruiken we een JPEG-figuur dus hoeven er geen problemen verwacht te worden. Maar als je niet zeker bent moet je dus even nagaan of het plaatje in het juiste formaat en mode staat opgeslagen.

Het veranderen van de grootte is vrij eenvoudig. Hiervoor klik je ook weer op Image en vervolgens op Image Size (afbeeldingsgrootte).
Hieronder zie je het dialoogvenster dat dan verschijnt en dat de werkelijke grootte van de afbeelding toont. Let wel op dat er ook een vinkje staat bij Resample Image (nieuwe beeldpixels berekenen).



Zoals je in het dialoogvenstertje ziet is de grootte van de foto 168x112 pixels. Het is belangrijk dat bij de aanpassing van de grootte de verhouding van de lengte en breedte hetzelfde blijft. Hiervoor moet Constrain Proportions (verhoudingen behouden) aangevinkt zijn. Als je nu bij de breedte 130 pixels invult, zie je automatisch de hoogte meeveranderen naar 87 pixels. Eventueel zou je kunnen kiezen om de grootte in cm's aan te geven.

Tip: Als je een vergissing maakt met een bewerking kun je deze ongedaan maken door de Ctrl-toets en de Z-toets tegelijkertijd in te drukken. Met deze sneltoetsfunctie kun je alleen de laatste bewerking ongedaan maken. Als je meerdere bewerkingen ongedaan wilt maken, kun je het History (historie) palet opvragen. In dat palet is een lijst te vinden van handelingen die apart in de prullenbak te plaatsen zijn en op die manier ongedaan gemaakt kunnen worden.



Opslaan
Na het croppen en aanpassen van de grootte kun je de foto even opslaan voordat we er verdere bewerkingen op loslaten. Voor het opslaan klik je op File (Bestand), vervolgens op Save as (Opslaan als). Je kunt als je wilt de naam wijzigen, maak er nu maar viscropped van, en het formaat kiezen. In dit geval gewoon JPEG laten. Er wordt dan gevraagd welke quality, met andere woorden welk niveau van compressie je wilt gebruiken; low, medium, high of maximum. Hoe lager de quality, hoe groter de compressie, hoe kleiner het bestandje. Maar let wel op, als je het teveel comprimeert riskeer je dat de kwaliteit zover achteruit gaat dat de foto niet meer om aan te zien is. Probeer maar eens wat verschillende compressieniveaus uit, sla de bestanden dan wel elke keer onder een nieuwe naam op. Kijk maar eens naar de verschillen in kwaliteit. Kies dus voor de gulden middenweg. In dit geval bijvoorbeeld voor Quality 5, Medium.

Als je een gedeelte van de foto transparant wil maken moet je wel kiezen voor GIF. Hierover in het volgende deel van de cursus meer. <

Het selecteren en de 'Selection Tools'
Stel je hebt toch een beetje spijt van het wegsnijden van dat ene visje. In dat geval kun je de oorspronkelijke foto er nog even bijhalen en dat ene visje selecteren, kopiëren en plakken in de foto met de twee visjes. Hieronder is stap voor stap uitgelegd hoe je dit kunt doen, gedurende deze uitleg zullen ook de layers ter sprake komen.

Marquee Tool (rechthoekig selectiekader)


Als je linksboven in de toolbox kijkt zie je een gestippeld vierkantje. Dit is de Rectangular Marquee Tool (Rechthoekig Selectiekader). Hiermee kun je een rechthoek selecteren. Maar als je met je muis op de Marquee Tool klikt en je houdt je muisknop ingedrukt, zul je zien dat je meerdere selectiemogelijkheden hebt (zie boven). Zo kun je kiezen voor een Elliptical Marquee Tool.



 

Tip: Als je tijdens het gebruik van het Rechthoekig Selectiekader de Shift-toets ingedrukt houdt wordt de selectie vierkant. Bij het 'Elliptical Marquee Tool' wordt door de Shift-toets ingedrukt te houden de selectie precies cirkelvormig.



De Marquee Tool is handig voor simpele vormen, maar de meeste selecties die je wilt maken, zoals ons anemoonvisje, zullen meer complex zijn. Hiervoor kun je de Lasso Tool of de Magic Wand Tool (Toverstaf) gebruiken.



Tip: Als je een selectie hebt gemaakt, is deze te herkennen aan het gestippelde lijntje (marching ants in jargon). Door nu een tweede selectie te maken verdwijnt de eerste. Dit kun je voorkomen door de Shift-toets ingedrukt te houden. Hierdoor kun je verschillende selecties als het ware bij elkaar optellen. Door de Alt-toets ingedrukt te houden kun je stukjes van bestaande selecties verwijderen.



Lasso
 Met de Lasso Tool kun je uit de losse hand delen van de foto selecteren. Voor het maken van complexe selecties is deze tool erg handig. Ook hier kun je weer gebruik maken van de Shift- en Alt-toets om selecties aan te passen.
Als je de Lasso Tool knop ingedrukt houdt met de muis, verschijnen ook weer meerdere Lasso Tool opties. Vooral de Magnetic Lasso Tool is erg handig, de selectielijn wordt door delen van de foto aangetrokken waardoor het eenvoudiger wordt iets nauwkeurig uit te snijden.

Tip: Door op het vergrootglaasje in de toolbox te klikken kun je de weergave van de afbeelding vergroten (de werkelijke grootte verandert niet). Hierdoor kun je de selectie makkelijker maken, probeer maar eens.



Magic Wand (Toverstaf)
Met de Magic Wand Tool selecteer je alles van dezelfde kleur of bijna dezelfde kleur. Dit is afhankelijk van hoe je de Tolerance (tolerantie) instelt. Het instellen van de Tolerance gebeurt in de knoppenbalk bovenin het scherm. Bij een hogere waarde neemt de tolerantie toe. Een hoge tolerantie betekent dat er een grotere spreiding in kleuren optreedt, die tegelijkertijd geselecteerd worden.

In de praktijk is het zo dat je alle selectietools in combinatie met elkaar en samen met de Shift- en Alt-toets gebruikt om iets precies te kunnen selecteren. Voor simpele afbeeldingen gaat het selecteren vrij eenvoudig.

Wat je net hebt gelezen over de selectiemiddelen ga je nu in praktijk brengen. Als het goed is heb je viscropped.jpg nog open staan (de foto met de twee visjes). Laat gewoon lekker open staan. Je kunt nu tegelijkertijd de oorspronkelijke foto openen door in de menubalk File aan te klikken en vervolgens Open, je kiest dan voor clownvis.jpg.
Het handigste kun je nu de linkervis selecteren door op de lasso te klikken. Zorg er wel voor dat je door middel van het vergrootglaasje de weergave flink groot hebt gemaakt. Door nu met de lasso precies langs de vis te tekenen selecteer je deze. Als je het goed hebt gedaan zie je het stippellijntje rond de vis bewegen, de marching ants.
Deze selectie ga je nu kopiëren en vervolgens paste (plak) je het in de foto met de twee vissen, in viscropped.jpg dus.
Het kopiëren doe je door in de menubalk op Edit te klikken en vervolgens op Copy, hierdoor wordt automatisch de actieve selectie van de afbeelding waar je mee werkt gekopieerd. Door de oorspronkelijke foto te minimaliseren en eenmaal te klikken in de afbeelding met de twee visjes wordt dit je actieve afbeelding. Als je nu op Edit klikt en vervolgens op Paste zie je het derde visje geplakt worden in de foto. Maar waarschijnlijk ben je niet tevreden met de locatie waar de selectie terecht is gekomen.
Geen probleem: door te klikken op de Move Tool (verplaatsgereedschap), zie plaatje hieronder, kun je de selectie daar zetten waar je wilt. Het resultaat ziet er als volgt uit.



Je hebt nu dus drie vissen in plaats van twee vissen. Maar, zonder dat je het misschien in de gaten hebt gehad, ben je nu al aan het werk met layers (lagen). Dit zie je doordat het Layers Palet nu zichtbaar is geworden waarop de twee layers staan aangegeven.
Het visje wat je uit de oorspronkelijke foto gekopiëerd en geplakt hebt in de tweede foto zit in een aparte layer. Nu je aan het werk bent met layers is het verstandig om even tussentijds het bestandje op te slaan, maar nu met het Photoshop formaat zodat de layers behouden blijven. Dit doe je door in de menubalk op File te klikken, vervolgens op Save as en dan kiezen voor formaat *.PSD, *.PDD. Noem het bestand maar even drievisjes.



Werken met layers: Tekst toevoegen
Het toevoegen van tekst aan een afbeelding is in Photoshop vrij eenvoudig. Als je een tekst aan wilt maken met de Type Tool (Tekstgereedschap), dan wordt er automatisch een nieuwe layer geopend, in dit geval dus een derde layer. Hierdoor kan er weinig fout gaan.



De Type Tool gebruik je alleen als je tekst in een foto of afbeelding aan wilt brengen. Als je op de Type Tool klikt dan kun je de oriëntatie van de tekst bepalen (horizontaal of verticaal). In de knoppenbalk boven in het scherm kun je aangeven welke font (lettertype) je wilt gebruiken. Als de tekst er eenmaal staat, dan kun je nog altijd de font aanpassen. Dit doe je door de tekst te selecteren en vervolgens in de knoppenbalk de gewenste instellingen aan te geven. Je kunt zelfs de tekst nog manipuleren door in de knoppenbalk op de T met de gebogen pijl daaronder te klikken (zie onder), of een andere kleur kiezen door links daarnaast op het kleurvlak te klikken.



Open drievisjes.psd maar eens. Onder in de foto kun je de tekst 'anemoonvisjes' toevoegen. Toegegeven, het wordt er niet mooier op, maar in het kader van de cursus doen we het toch maar even. Je krijgt het volgende resultaat.



In het Layers Palet hieronder is te zien dat je drie layers hebt.



Een tekstlayer, een layer met één visje en de background layer (de uitsnijding met de twee visjes). De verschillende layers kun je nu apart bewerken, iets wat we in het volgende deel van de cursus ook echt gaan doen. Sla nu het bestand op twee manieren op. Ten eerste in PSD formaat, zodat we later nog met de lagen kunnen gaan werken. Ten tweede als JPG/JPEG (drievisjes.jpeg). Door het opslaan in het laatste formaat flatten (vervlak) je de afbeelding, de layers verdwijnen.

Filters
Als laatste onderdeel van dit deel van deze cursus komen de filters aan bod. Met filters kun je allerlei leuke dingen doen, maar vaak wordt het resultaat 'too much'. Het is leuk om mee te spelen, maar in praktijk gebruik je filters niet vaak. Een filter is eenvoudig toe te passen. Je klikt op Filter op de menubalk en kiest er één uit. Probeer ze maar eens uit. Hieronder zie je een voorbeeld toepassing van het filter 'Ocean Ripple'. De Ocean Ripple vind je in het menu Filter onder Distort.



Door het volgen van dit deel van de cursus heb je kennisgemaakt met wat tools voor basisbewerkingen. Ook heb je kort kennisgemaakt met selection tools en layers. In de volgende delen van de cursus zul je meer leren over het bewerken en manipuleren van foto's en zullen we dieper ingaan op het werken met layers.



Met hoeveel 'ppi' moet je scannen? Hoe moet ik de scans in Photoshop bewerken? Waarvoor dient de 'witpunt'- en 'zwartpunt'- instelling? Hoe scan ik dia's en negatieven?
In dit deel van de cursus Photoshop CS2 wordt stilgestaan bij het gebruik van de scanner, en gaan we werken met dia's en negatieven. Er wordt van uitgegaan dat je een goed werkende flatbed-scanner op je systeem hebt aangesloten.

De scanner
Hoe een scanner werkt, is uitvoerig beschreven in Een kleine gids scannergebruik van Henk de Boer. Belangrijk om te weten is dat je niet alle foto's met de maximale resolutie scant. Stel, je hebt een scanner met een resolutie van 600 ppi (pixels per inch). Het lijkt op het eerste gezicht misschien nuttig om elke foto met een resolutie van 600 ppi te scannen. Toch is dit niet aan te raden: de omvang wordt snel te groot. Het is daarom beter om eerst te kijken waarvoor je de scan wilt gebruiken. Als je bijvoorbeeld alleen een webafbeelding wilt maken is een scan met lage resolutie vaak al voldoende, 72 ppi volstaat. Desondanks is raadzaam om met een wat hogere resolutie dan nodig te scannen en dit later door resizing tot de juiste afmetingen terug te brengen. Vaak zullen hierbij ook kleine oneffenheden verdwijnen of in elk geval minder storend worden.

De resolutie bepaalt de uiteindelijke grootte van de scan (in kilobyte). Hoe hoger de resolutie, hoe groter de omvang van het bestand. De term dpi (dots per inch) wordt ook wel gehanteerd, deze term komt uit het printjargon. Beter is om de scherpte van een digitale afbeelding in ppi (pixels per inch).

Tip: Hanteer een bestandsgrootte van ongeveer 500 kilobyte bij het scannen van afbeeldingen die voor internet bestemd zijn. Na bewerking, resizing en compressie resulteren deze in goed hanteerbare JPEG-bestanden van 10-20 kilobyte. Is een niet te grote printerafdruk het doel, dan biedt een scan met een omvang van 1 tot 1,5 megabyte over het algemeen voldoende speelruimte voor een uitstekend resultaat.



De vergrotingsfactor
De vergrotingsfactor is gelijk aan de eindafmeting van de scan gedeeld door de beginafmeting van het origineel. Een foto die je driemaal zo groot scant, moet ook een driemaal zo hoge resolutie hebben om dezelfde kwaliteit te houden.

Dit is tevens het grootste probleem bij het scannen van dia's en negatieven. Deze zijn zo klein dat om een werkbare grootte te krijgen de vergrotingsfactor hoog moet zijn. Hierdoor treedt al snel kwaliteitsverlies op, mits je beschikt over een scanner met een hoge resolutie. Er zijn ook speciale kleinbeeldscanners op de markt, deze bezitten meestal een resolutie van tenminste 2400 ppi.

Scannen van dia's maar vooral van negatieven heeft met een normale scanner zonder adapter geen zin. Hieronder is bijvoorbeeld een scan van een negatief te zien met een resolutie van 1200 ppi gemaakt met een gewone scanner.


Afbeelding 1. Scannen van negatief met een gewone scanner

Het resultaat laat te wensen over. In afbeelding 1 is links het gescande negatief te zien. In het midden is het 'omgekeerde' negatief afgebeeld. Zelfs na correctie krijg je geen behoorlijk positief. Veel van de details zijn verloren gegaan. Je kunt met moeite een aantal bomen onderscheiden.

De slechte kwaliteit komt doordat het origineel direct op de glasplaat wordt geplaatst. Hierdoor treden allerlei lichteffecten in werking waardoor ringen in het beeld verschijnen, de zogenaamde Newtonringen. De geringe afstand van de film naar het glasoppervlak leidt tot ringvormige slierten met de kleuren van de regenboog rondom de dia of het negatief. Verder heb je een belichting 'van achter' nodig om alle details in het negatief te kunnen scannen. Met andere woorden, je hebt een scanner met een adapter nodig.

De adapter
De adapter is eigenlijk een lichtbak waar je de negatieven of dia's inschuift. Hierdoor worden ze op een korte afstand van de glasplaat geplaatst, en worden ze 'van achter' belicht. Als je nu een negatief scant krijg je een heel ander resultaat, zie afbeelding 2.

Scannen van dia's
Flatbedscanners zijn vanaf een optische resolutie van 1200 ppi geschikt voor het scannen van kleinbeelddia's, maar dan moet je wel over een adapter beschikken. Voor de gemiddelde gebruiker (amateur) is een resolutie van 600 of zelfs 400 ppi al voldoende. Dan moet je niet teveel verwachten, en zeker geen details willen uitvergroten.

Scannen van negatieven
Het scannen van negatieven gaat in principe hetzelfde als het scannen van dia's. De negatieven worden in de adapter geschoven en de scan wordt gemaakt. Let er wel op dat je de dia's en negatieven met stoffen handschoenen vastpakt. Dit om storende vingerafdrukken te vermijden.


Afbeelding 2. Scannen van een negatief met een adapter
Zoals je ziet is het resultaat nu uitstekend. Het negatief moet nog wel verder bewerkt worden in Photoshop.

Een andere mogelijkheid om de negatieven digitaal te krijgen is door de fotowinkel een foto-cd van de negatieven te laten maken.




Afbeelding 3. Invert (omkeren van negatief)

Je hebt nu een negatief als resultaat. Nu wil je dit negatief 'ontwikkelen', ofwel positief maken. Dit doe je door in de menubalk op Image (Afbeelding) te klikken, en vervolgens op Adjustments (Corrigeren), Invert (Negatief). Het resultaat zie je in afbeelding 4.


Afbeelding 4. Het negatief positief gemaakt.

Je hebt nu al een herkenbare foto, maar hierover ligt een blauwe waas. Dit komt doordat de bruinige kleur van het negatief, de zogenaamde eigen kleur, meegescand en mee-ontwikkeld is.

Bovendien beperkt de eigen kleur van het negatief de mogelijke toonomvang van de afbeelding. Het lichtste punt van het negatief is namelijk de eigen kleur, dus nooit wit maar bruinig. Voor de aparte 'channels' (kanalen) heb je zodoende nooit de volledige 256 kleurgradaties ter beschikking. Het beperkte aantal 'schakeringen' wordt in Photoshop weer opgerekt tot de volledige bandbreedte, zodat wit weer wit en zwart weer zwart wordt. Dit gebeurt met de zwartpunt- en witpuntinstellingen. Hierdoor gaan wel wat kleurgradaties verloren.

Correctie door instellingen Black point/White point
Correctie gebeurt door aanpassing van de Black point/White point instellingen (de eerder genoemde zwartpunt- en witpuntinstellingen). Hiermee kun je het donkerste deel van de foto als 'zwart' opgeven, en het lichtste punt als 'wit'. Hierdoor verdwijnt te blauwe waas. Je moet wel weten welk deel van de foto het donkerste is, en welk deel het lichtste. Je kunt dit op het oog doen, maar veel nauwkeuriger is van de functie Threshold gebruik te maken, zie afbeelding 5.


Afbeelding 5. Threshold level

Klik op Image - Adjustments - Threshold. Hierdoor verschijnt een box waarop de kleurverdeling in de vorm van een grafiek is weergegeven. Onderaan de grafiek zit een schuifbalk. Door deze naar links te bewegen komt het donkerste deel van de foto in beeld, door naar rechts te bewegen krijg je het lichtste deel van de foto. Onthoud deze punten en Klik nu op Cancel!

Vervolgens ga je de zwartpunt- en witpuntinstellingen aanpassen. Dit doe je door Image - Adjustments - Curves aan te klikken, hierdoor verschijnt het curvediagram. Dit is eerder behandeld in deel 5 van de cursus.


Afbeelding 6. Curvediagram

In het curvediagram kun je rechtsonder in beeld het Zwartpunt en het WitPunt instellen. ZwartPunt door op het linkerpipetje te klikken. Vervolgens beweeg je met je muis (die de vorm van een pipet heeft aangenomen) naar het donkerste deel van de foto en klikt precies daar. Het WitPunt bepaal je door het rechterpipetje aan te klikken en vervolgens in het lichtste deel van de foto te klikken. Dit zijn de punten die je eerder met Threshold hebt bepaald.

Het middelste pipetje in het curvediagram is voor de middentonen. Klik ook deze aan en probeer het juiste deel van de foto te vinden. Het uiteindelijke resultaat is in afbeelding 7 te zien.


Afbeelding 7. Het negatief 'ontwikkeld'

Met het instellen van het ZwartPunt en WitPunt heb je een zo groot mogelijke toonomvang bereikt.

Auteur: Daviddehaas